
Stel: Je bent net terug van een schitterende fietsreis door het Atlasgebergte in Marokko, en je bent naar goede gewoonte bezig een fotoboek te maken. Jij had je Nikon D200 mee en je universele 18-200 DX VR II zoomlens, die echter halverwege de reis het zoomgedeelte van haar benaming voor bekeken hield. Een euvel dat gelukkig onder garantie hersteld zou worden. Je onthoudt er alvast van dat je in het vervolg best je ouwe Sigma 18-200 ook meeneemt als backup. Een D200 zonder werkende lens is immers dood gewicht in je fietstassen. En hij kost net iets te veel om als projectiel tegen loslopende honden te gebruiken.
Dan komt je wederhelft je bureau binnen met een foto die ze ook graag in het fotoboek gehad had. Zij heeft op reis altijd haar onafscheidelijke Panasonic Lumix TZ Series compact digitale camera mee. Zo’n ding met een haast oneindige scherptediepte, for better or for worse.
‘Jamaar’, probeer je nog, wanhopig 5 jaar compositietheorie van de avonschool samenvattend: ‘Vind je die wel zo goed? Die rommelige achtergrond is wel wat scherp, niet? En die plastiekzak op dat aanrecht, die trekt ook de aandacht weg van het onderwerp, niet? En die fietstas rechts vooraan. Moést die ook op de foto? En wat groeit daar uit het hoofd van die middenste jongen?’ Je besluit om van het overbelichte raam nog maar te zwijgen, al weet je dat geen enkele shadow/highlight control daar tegen op gewassen zal zijn…
Je fotografische argumenten mogen echter niet baten: zo’n leuk vakantiekiekje mag volgens je mede-fietsster niet ontbreken in het vakantieboek, temeer daar er een hele leuke anekdote aan vast hangt*…
“Time to fire up Photoshop…”, denk je, en je gaat aan de slag…
* de anekdote wordt u voor alle veiligheid bespaard…
Twitter